Ezechiël 20:17

“Doch Mijn oog verschoonde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn.”
— Ezechiël 20:17 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezechiël 20

15Evenwel hief Ik ook Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen;

16Daarom dat zij Mijn rechten verwierpen, en in Mijn inzettingen niet wandelden, en Mijn sabbatten ontheiligden; want hun hart wandelde hun drekgoden na.

17Doch Mijn oog verschoonde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn.

18Maar Ik zeide tot hun kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen uwer vaderen, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt u niet met hun drekgoden.

19Ik ben de HEERE, uw God, wandelt in Mijn inzettingen, en onderhoudt Mijn rechten, en doet dezelve.

Over Ezechiël 20: Gods Toorn en Genade over Israël

Ezechiël 20: Gods Toorn en Genade over Israël

In Ezechiël hoofdstuk 20 bespreekt God de geschiedenis van Israëls opstandigheid tegen Hem. Hij vertelt hoe de Israëlieten valse goden aanbaden en zondige praktijken uitvoerden, wat leidde tot hun ballingschap in Babylon. Ondanks dit openbaart God Zijn barmhartigheid jegens Israël door te beloven hen terug te brengen naar hun thuisland en hun zonden te vergeven.

Commentaar

Default commentary text

Personen in Ezechiël 20