Ezechiël 25:8
“Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat Moab en Seir zeggen: Ziet, het huis van Juda is gelijk al de heidenen;”
Context: Ezechiël 25
6Want alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij met de hand geklapt, en met den voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land Israels;
7Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u den heidenen ten buit geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
8Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat Moab en Seir zeggen: Ziet, het huis van Juda is gelijk al de heidenen;
9Daarom, ziet, Ik zal de zijde van Moab openen, van de steden af, van zijn steden, die van zijn grenzen af zijn, het sieraad des lands, Beth-Jesimoth, Baal-Meon, en tot Kiriathaim toe;
10Voor die van het oosten, met het land der kinderen Ammons, hetwelk Ik ter bezitting zal overgeven; opdat der kinderen Ammons onder de heidenen niet meer gedacht worde.
Over Ezechiël 25: Profetieën tegen buurnaties

In Ezechiël hoofdstuk 25 spreekt God door de profeet Ezechiël, waarbij hij profetieën uitspreekt tegen naburige volken. De volken van Ammon, Moab, Edom, Filistea en Tyrus zullen allemaal oordeel en straf ondergaan voor hun ongehoorzaamheid jegens Gods volk en hun viering van de vernietiging van Israël.
Commentaar
Default commentary text