Genesis 12:4
“En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.”
Context: Genesis 12
2En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
3En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.
4En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.
5En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.
6En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land.
Over Genesis 12: Gods Roep aan Abraham

God kiest Abram, een man die in Ur woont, en vertelt hem om zijn land en familie te verlaten en naar een land te gaan dat God hem zal laten zien. Abram gehoorzaamt en God belooft hem een groot volk te maken en hem te zegenen.
Commentaar
Genesis 12 is een sleutelhoofdstuk in het boek Genesis, omdat het het begin markeert van Gods verbond met Abraham. In dit hoofdstuk roept God Abraham op om zijn geboorteland te verlaten en naar een land te gaan dat God hem zal tonen. Abraham gehoorzaamt Gods bevel en begint aan een geloofsreis.
God belooft Abraham dat hij gezegend zal worden en dat zijn nakomelingen een groot volk zullen zijn. God belooft ook Abraham en zijn nakomelingen te beschermen en hen tot zegen te maken voor alle volken op aarde. Deze belofte vormt de basis van het verbond tussen God en Abraham en is de grondslag van het Joodse geloof.