Uittocht 3:15
“Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.”
Context: Uittocht 3
13Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?
14En God zeide tot Mozes: Ik ZAL ZIJN,, Die Ik ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Ik ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden!
15Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.
16Ga heen, en verzamel de oudsten van Israel, en zeg tot hen: De HEERE, de God uwer vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb ulieden getrouwelijk bezocht, en hetgeen ulieden in Egypte is aangedaan;
17Daarom heb Ik gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten; tot het land, vloeiende van melk en honig.
Over Uittocht 3: God roept Mozes bij de brandende doornstruik

God spreekt tot Mozes vanuit een brandende struik en vertelt hem om terug te keren naar Egypte om de Israëlieten uit de slavernij te leiden. God geeft Mozes Zijn naam, "Ik ben die Ik ben.".
Commentaar
Exodus hoofdstuk 3 is een kantelpunt in de Bijbel, omdat het het begin markeert van Mozes' missie om de Israëlieten uit Egypte te leiden. In dit hoofdstuk verschijnt God aan Mozes in de vorm van een brandende struik en spreekt tot hem, waarbij Hij Zijn goddelijke plan openbaart.
God vertelt Mozes dat Hij de kreten van de Israëlieten heeft gehoord en gekomen is om hen te bevrijden uit hun slavernij in Egypte. Hij instrueert Mozes om naar de farao te gaan en te eisen dat hij de Israëlieten laat gaan. God belooft bij Mozes te zijn en hem de kracht en moed te geven die hij nodig heeft om zijn missie uit te voeren.