Ezechiël 17:10
“Ja, ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.”
Context: Ezechiël 17
8Hij was in een goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht.
9Zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijn wortelen uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een groten arm, noch door veel volks, om dien van zijn wortelen weg te voeren.
10Ja, ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
12Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.
Over Ezechiël 17: Parabel van de Twee Adelaars en de Wijnstok

In Ezechiël hoofdstuk 17 gebruikt God de gelijkenis van twee arenden en een wijnstok om de leiders van Juda te oordelen en te veroordelen voor hun ontrouw en ongehoorzaamheid. De eerste arend vertegenwoordigt Nebukadnezar van Babylon, die een kleine tak van Juda neemt en deze in zijn eigen tuin plant. De tweede arend vertegenwoordigt Egypte, die probeert de wijnstok nieuw leven in te blazen door bescherming te bieden, maar faalt. Uiteindelijk belooft God zelf in te grijpen en het koninkrijk van Juda te herstellen.
Commentaar
Default commentary text