Ezechiël 17:24
“Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.”
Context: Ezechiël 17
22Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verhevenen berg planten zal;
23Op den berg der hoogte van Israel zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen.
24Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.
Over Ezechiël 17: Parabel van de Twee Adelaars en de Wijnstok

In Ezechiël hoofdstuk 17 gebruikt God de gelijkenis van twee arenden en een wijnstok om de leiders van Juda te oordelen en te veroordelen voor hun ontrouw en ongehoorzaamheid. De eerste arend vertegenwoordigt Nebukadnezar van Babylon, die een kleine tak van Juda neemt en deze in zijn eigen tuin plant. De tweede arend vertegenwoordigt Egypte, die probeert de wijnstok nieuw leven in te blazen door bescherming te bieden, maar faalt. Uiteindelijk belooft God zelf in te grijpen en het koninkrijk van Juda te herstellen.
Commentaar
Default commentary text