Ezechiël 31:8

“De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.”
— Ezechiël 31:8 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezechiël 31

6Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.

7Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.

8De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.

9Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.

10Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;

Over Ezechiël 31: De Val van de Farao

Ezechiël 31: De Val van de Farao

In Ezechiël 31 ontvangt de profeet een boodschap van God over de ondergang van de farao, koning van Egypte. God beschrijft met de metafoor van een grote cederboom hoe de macht en trots van de farao zal worden weggenomen en hij vernederd zal worden als een gewoon mens.

Commentaar

Default commentary text

Personen in Ezechiël 31