Uittocht 9:29

“Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor den HEERE; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des HEEREN is!”
— Uittocht 9:29 (The Statenvertaling Bible)

Context: Uittocht 9

27Toen schikte Farao heen, en hij riep Mozes en Aaron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de HEERE is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!

28Bidt vuriglijk tot den HEERE (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik ulieden trekken laten, en gij zult niet langer blijven.

29Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor den HEERE; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des HEEREN is!

30Nochtans u en uw knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezicht van den HEERE God nog niet vrezen zult.

31Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in den halm.

Over Uittocht 9: De Vijfde, Zesde en Zevende Plagen: Vee, Builen en Hagel

Uittocht 9: De Vijfde, Zesde en Zevende Plagen: Vee, Builen en Hagel

De plagen van het vee, zweren en hagel komen over Egypte, maar toch weigert de farao om de Israëlieten te laten gaan.

Commentaar

Exodus hoofdstuk 9 is een krachtige herinnering aan de macht van God en Zijn vermogen om Zijn volk te beschermen. In dit hoofdstuk stuurt God een reeks plagen naar Egypte om de farao ervan te overtuigen de Israëlieten te laten gaan. De plagen zijn een demonstratie van Gods macht en Zijn bereidheid om Zijn volk te beschermen.

De eerste plaag is een plaag van hagel en vuur. Deze plaag is een teken van Gods kracht en Zijn vermogen om de elementen te beheersen. De hagel en het vuur zijn zo hevig dat ze alle gewassen in Egypte vernietigen. Dit is een teken van Gods kracht en Zijn bereidheid om Zijn volk te beschermen.

Personen in Uittocht 9